De schaduw van 9/11 - 25 jaar na dato

De schaduw van 9/11 – 25 jaar na dato

Wanneer wereldgeschiedenis persoonlijk wordt

Ruim een week geleden was het 25 jaar geleden dat vliegtuigen zich in de Twin Towers en het Pentagon boorden. Natuurlijk heb ik daar als geschiedenisdocent aandacht aan besteed. Ik kon eigenlijk niet anders, want bij 9/11 denk ik niet alleen aan beelden die inmiddels wereldgeschiedenis zijn geworden, maar vooral aan de vreemde manier waarop die geschiedenis die middag mijn eigen leven binnenkwam.


Ik kwam thuis van een brugklaskamp, zette de televisie aan en zag een enorme rookwolk uit een van de torens van het World Trade Center komen. Mijn eerste gedachte was verrassend alledaags: waarom zenden ze midden op de middag een rampenfilm uit, zoiets kwam toch pas ’s avonds? Langzaam drong door dat ik niet naar een film keek, dat dit op datzelfde moment duizenden kilometers verderop gebeurde, en toen vloog voor onze ogen het tweede vliegtuig de andere toren binnen. Vanaf dat moment was er geen ruimte meer voor de gedachte aan een verschrikkelijk ongeluk. Dit was met opzet.

Ik weet nog dat ik dacht: is dit ons Pearl Harbor?

De volgende ochtend zochten de kranten naar woorden die groot genoeg waren. De Telegraaf schreef dat de Verenigde Staten in staat van oorlog waren en trok eveneens de vergelijking met Pearl Harbor, het Algemeen Dagblad koos voor Totale verbijstering. Niemand wist waar de schokgolven zouden eindigen. Ik dacht intussen aan vrienden die vastzaten in de Verenigde Staten en aan vrienden in Cambodja en Vietnam die moeilijk bereikbaar waren. We leefden nog niet in een wereld waarin iedereen voortdurend met iedereen verbonden was; miljoenen mensen konden tegelijkertijd dezelfde beelden zien, terwijl je urenlang niet wist hoe het met één mens aan de andere kant van de wereld ging.

De wereldgeschiedenis stond ineens in mijn huiskamer.

Diezelfde avond begon ook de strijd om de betekenis van wat we hadden gezien. Was dit oorlog, het begin van een nieuw tijdperk, misschien zelfs de vooravond van een veel groter conflict? Maarten van Rossem ging niet mee in de zwaarste voorspellingen. Hij relativeerde, vond dat terrorisme nog geen oorlog was en waarschuwde voor de hysterie van het moment. Op een avond waarop de torens nauwelijks waren ingestort kwam dat op velen, ook op mij, als bagatellisering over. Zijn optreden werd hem lang nagedragen.

Vijfentwintig jaar later is zijn reactie interessanter dan ze mij toen leek. De Verenigde Staten werden inderdaad geen slagveld zoals Europa dat in de twintigste eeuw was geweest, er kwamen geen vijandelijke legers over de grens en een Derde Wereldoorlog brak niet uit. Maar oorlog kwam er wel, alleen anders dan veel mensen op die eerste avond voor zich zagen: de oorlog kwam niet naar Amerika, Amerika trok ten oorlog.

In oktober 2001 begon de aanval op Afghanistan, waar Al Qaida onder bescherming van de Taliban opereerde, en anderhalf jaar later volgde Irak. Dat laatste land had de aanslagen van 11 september niet uitgevoerd en de 9/11 Commission vond geen bewijs dat het regime van Saddam Hoessein operationeel had samengewerkt met Al Qaida bij aanvallen op de Verenigde Staten. Toch is die oorlog nauwelijks los te zien van het klimaat dat na 9/11 ontstond. De War on Terror werd groter dan de jacht op de daders van de aanslagen; één steen was in het water gevallen en de kringen liepen steeds verder naar buiten.

Een jaar na 9/11 zag ik zo’n kring op een klein beeldschermpje in een vliegtuig. Ik vloog naar Vietnam en onze route maakte een ruime boog om Afghanistan, waar inmiddels oorlog werd gevoerd. Wereldpolitiek werd een kronkel in een vliegroute: ergens diep onder ons lag een conflict en wij vlogen er veilig omheen.

Twaalf jaar later vloog een toestel van diezelfde maatschappij over een ander oorlogsgebied. Op 17 juli 2014 werd MH17 onderweg van Amsterdam naar Kuala Lumpur boven Oost-Oekraïne neergehaald. Alle 298 mensen aan boord kwamen om, onder wie 196 Nederlanders.

Het zijn verschillende oorlogen, met een verschillende geschiedenis, en toch liggen die twee vluchtlijnen in mijn herinnering naast elkaar. In 2002 zag ik een lijn afbuigen om Afghanistan, in 2014 hield een andere lijn boven Oekraïne abrupt op. Vanuit een vliegtuig oogt de wereld beneden overzichtelijk: grenzen worden strepen, steden lichtvlekken, een oorlog een gebied waar je omheen kunt vliegen. Tot de wereld op de grond door die veilige hoogte heen breekt.

Misschien is dat ook waarom we geschiedenis achteraf zo gemakkelijk overzichtelijk maken. Wij kennen de afloop en tekenen vervolgens pijlen tussen oorzaak en gevolg, terwijl die pijlen voor de mensen die er middenin zitten nog niet bestaan. Op 11 september wist niemand wat 12 september zou brengen, laat staan Afghanistan, Irak, Guantánamo Bay, de Patriot Act of twintig jaar oorlog.

Voor mij kreeg Afghanistan later bovendien een Nederlands gezicht door Peter van Uhm. Hij werd Commandant der Strijdkrachten in een periode waarin Nederlandse militairen daar dienden; op de dag nadat hij die functie had aanvaard, sneuvelde zijn zoon Dennis. Een conflict waarover werd gesproken in termen als missie, wederopbouw en terrorismebestrijding werd daarmee ook het verhaal van een vader en een moeder.

Peter van Uhm heb ik later verschillende keren voor mijn leerlingen mogen ontvangen. Hij was oud-leerling van onze school en kwam zonder veel ceremonieel vertoon binnen, gewoon in een wollen trui, rustig pratend met leerlingen, of dat er nu vijftien uit 1 vmbo waren of zestig uit 4 havo. Ik mocht gewoon je tegen hem zeggen. Dat heb ik nooit gedaan. Niet uit overdreven eerbied, het voelde eenvoudigweg niet goed, misschien omdat achter zijn verhaal steeds die grotere vraag meeklinkt wat wij ervoor overhebben om in vrijheid en binnen een democratische rechtsstaat te leven wanneer daarvoor echte mensen worden uitgezonden en sommigen niet terugkomen.

Begin dit jaar kreeg die geschiedenis opnieuw een scherpe rand toen Donald Trump stelde dat NAVO-bondgenoten in Afghanistan wel militairen hadden gestuurd, maar volgens hem min of meer van de frontlinies waren weggebleven. Nederlandse militairen waren juist wel aan de frontlinie ingezet; tussen 2002 en 2021 gingen ongeveer 30.000 Nederlandse militairen naar Afghanistan en 25 van hen kwamen om het leven. De NAVO-missie volgde bovendien op de enige activering van artikel 5 in de geschiedenis van het bondgenootschap, na de aanslagen op de Verenigde Staten.

Voor militairen en nabestaanden zijn zulke woorden daarom meer dan een geopolitieke discussie. Geschiedenis ligt nooit helemaal stil in een archief; soms is één zin genoeg om een oude lade opnieuw open te trekken.

Daarmee loopt er voor mij ook een lijn terug naar 1989, naar een andere historische omslag die ik bewust heb meegemaakt. De val van de Berlijnse Muur ademde bijna het tegenovergestelde van 9/11: grenzen gingen open, de Koude Oorlog liep af, Europa groeide naar elkaar toe en globalisering leek werelden steeds steviger te verbinden. Heel even kon je geloven dat de grote ideologische botsingen van de twintigste eeuw misschien achter ons lagen.

Na 11 september verschoof het vocabulaire. Terrorisme, dreiging, veiligheid, preventie. Woorden werden wetten, grenscontroles, surveillance, controles op vliegvelden en uiteindelijk ook nieuwe instituties. Zes weken na de aanslagen werd de Patriot Act aangenomen en met de Homeland Security Act ontstond vervolgens het Department of Homeland Security, waarin 22 bestaande diensten en onderdelen bijeen werden gebracht. Binnen die nieuwe veiligheidsstructuur werd in maart 2003 ook Immigration and Customs Enforcement, ICE, gevormd uit delen van bestaande immigratie- en douanediensten.

ICE is dus niet door de Patriot Act opgericht en streng immigratiebeleid begon al helemaal niet op 11 september. De geschiedenis daarvan is veel ouder. Wel kwamen na 9/11 immigratie, grensbewaking, terrorismebestrijding en nationale veiligheid nadrukkelijker onder hetzelfde bestuurlijke dak terecht, en juist daar wordt de geschiedenis van 2001 interessant voor de wereld van nu. Een crisis laat namelijk iets achter: een wet, een organisatie, een bevoegdheid, soms alleen een woord waarmee we anders naar een probleem gaan kijken. Daarna komt een volgende regering, een andere dreiging, een nieuw politiek doel, terwijl een deel van het bouwwerk gewoon blijft staan.

Zo erfde Donald Trump geen leeg vel papier. Hij trof een staat aan waarin immigratie al veel sterker binnen het kader van homeland security was geplaatst. Zijn regering gebruikt sinds zijn terugkeer in 2025 zeer nadrukkelijk de taal van nationale veiligheid, terrorisme en invasion rond immigratie en de zuidgrens; invasion is daarbij de kwalificatie die de regering zelf hanteert, niet een neutrale omschrijving van migratie.

Daar loopt voor mij een van de langere schaduwen van 9/11. Niet als een eenvoudige dominoreeks van Bin Laden naar Bush, van Bush naar ICE en vervolgens naar Trump — daarvoor is geschiedenis te grillig — maar als een proces waarin omstandigheden instituties vormen en die instituties vervolgens beschikbaar blijven voor mensen die er jaren later andere keuzes mee maken. Een oorlog kan eindigen en soldaten kunnen naar huis; een ministerie verdwijnt minder snel, een databank wist zichzelf niet en bevoegdheden die een overheid eenmaal bezit, worden zelden geruisloos weer ingeleverd.

De steigers die tijdens een crisis om het gebouw worden gezet, kunnen langzaam deel van de gevel worden.

Daarmee wordt ook vrijheid minder eenvoudig dan het woord soms klinkt. Op 11 september werden bijna drieduizend mensen vermoord en een overheid heeft de taak haar burgers te beschermen. De moeilijke vragen beginnen daarna: hoeveel ruimte krijgt die overheid om een volgende aanslag te voorkomen, hoeveel toezicht accepteren we, wie wordt een risico genoemd en hoe lang blijven uitzonderlijke bevoegdheden bestaan wanneer de omstandigheden veranderen?

Voor mij hoort dat inmiddels net zo goed bij het verhaal van 9/11 als Afghanistan, Irak en de vallende torens. Geschiedenis bestaat uit grote begrippen, maar wordt pas tastbaar wanneer ze ergens een mensenleven binnenkomt: bij een jonge docent die na een brugklaskamp een televisie aanzet en even denkt een rampenfilm te zien, bij vrienden die plotseling onbereikbaar zijn, bij een vliegroute die om Afghanistan heen buigt en een andere die jaren later boven Oekraïne ophoudt, bij een militair die wordt uitgezonden en niet thuiskomt, maar ook bij een wet die na een aanslag wordt aangenomen en een overheidsdienst die decennia later in een heel andere politieke discussie opnieuw centraal komt te staan.

Dat lijken losse verhalen, tot je wat langer kijkt en de draden ertussen zichtbaar worden. Juist daar wordt geschiedenis interessant: waar een grote gebeurtenis een mensenleven raakt, soms op een slagveld of bij de val van een muur, soms in een vliegtuig, een klaslokaal of gewoon thuis voor de televisie.

Een week geleden stond ik met 3 vwo opnieuw bij die geschiedenis stil. We vergeleken de War on Terror met het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog, niet omdat 1914 en 2001 hetzelfde zijn, maar omdat je in beide geschiedenissen kunt onderzoeken hoe een gebeurtenis reacties oproept, hoe mensen daarop opnieuw reageren en hoe een reeks besluiten uiteindelijk een wereld kan voortbrengen die aan het begin nog niemand voor zich zag.

Toen het tweede toestel het World Trade Center binnenvloog, bestonden Afghanistan en Irak nog niet als Amerikaanse oorlogen, Homeland Security bestond niet en ICE nog niet in zijn huidige vorm. Er was op dat ogenblik vooral rook boven Manhattan en het groeiende besef dat zich iets verschrikkelijks voltrok. De rest kwam daarna: besluiten werden genomen, legers vertrokken, wetten veranderden en instituties ontstonden, waarna volgende generaties verder moesten in het landschap dat die keuzes hadden achtergelaten.

Daar kwamen we in de les uiteindelijk bij een vraag waarop ik mijn leerlingen geen pasklaar antwoord kan en wil geven: wat is het ons waard om in vrijheid, binnen een democratische rechtsstaat, te leven?

Afghanistan laat zien dat mensen voor die vrijheid een onvoorstelbaar hoge persoonlijke prijs kunnen betalen, terwijl de vijfentwintig jaar na 9/11 ook laten zien dat een democratie moet blijven kijken naar de prijs die zij binnenshuis betaalt wanneer zij zichzelf probeert te beschermen. Geschiedenis levert daarbij geen routekaart waarop de veilige weg al is ingetekend; ze laat eerder sporen achter, soms een brede weg, soms nauwelijks meer dan een lijn die je pas jaren later opmerkt.

Van Berlijn naar New York, van New York naar Afghanistan en Irak, van de veiligheidswetten van toen naar discussies die vandaag opnieuw worden gevoerd.

De rook boven Manhattan is verdwenen.

De schaduw niet.




Comments

Popular posts from this blog

Universele narratieven, mythen en transformatie in een globaliserende cultuur

Landverhuizersplein, plaats van aankomst en vertrek